aanmaakpartij
een partij papier die niet vanuit het magazijn van de groothandel wordt betrokken, maar rechtstreeks vanuit de fabriek wordt geleverd volgens de specificaties van de koper.
absolute vochtigheid
percentage water in papier. Voorbeeld: kopieerpapier heeft een lage absolute vochtigheid om te voorkomen dat het kromtrekt als gevolg van een te snelle onttrekking van vocht als het door warme kopieermachines wordt gevoerd.
absorptievermogen
de mate waarin papier of karton een vloeistof opneemt en vasthoudt.
asgehalte
vaste stof die overblijft na verbranding van papier; is een maatstaf voor de hoeveelheid vulstoffen in het papier.
bleken
het in ťťn of meer opeenvolgende stappen verwijderen van kleurstoffen uit de pulp om de helderheid van het papier te vergroten. Dit werd vroeger vooral met chloor(verbindingen) gedaan, tegenwoordig gebruikt men vanwege milieuaspecten vooral waterstofperoxide en ozon. In 1989 werd het ECF-proces (elementair chloorvrij) ontwikkeld en in 1991 het TCF-proces (totaal chloorvrij). In Europa is het ECF-proces inmiddels standaard.
breedlopend
de vezels in het papier liggen (voornamelijk) evenwijdig aan de korte zijde van het vel.
chemische pulp
pulp waarin de vezels zijn losgemaakt door de houtsnippers te koken met chemicaliŽn die het bindmiddel lignine oplossen.
chemisch thermische mechanische pulp
(CTMP) pulp dat wordt vervaardigd door de verwerking van chemische geÔmpregneerde, voorverwarmde houtsnippers.

chinaclay
minerale stof die tijdens de papierproductie als vulstof en/of pigment wordt gebruikt.
chloorvrij
aanduiding voor papier dat gemaakt is met chloorvrij gebleekte pulp. Feitelijk een onjuiste term omdat alle papiersoorten wel sporen van de chloorverbindingen bevatten die van nature in hout aanwezig zijn.
coaten, strijken
in een of meerdere keren een laag witte pigmenten en bindmiddelen aanbrengen op (een of beide zijden van) het papieroppervlak, ter verbetering van bedrukbaarheid en/of helderheid (zie ook: strijklaag).
ECF
Elementary Chlorine Free: gebleekt zonder gebruik te maken van chloorgas, hetgeen milieuvriendelijker is (zie ook: bleken).
effenheid
de mate waarin het oppervlak van papier of karton overeenkomt met een (theoretisch) plat vlak. Hoe gladder het papier (bijvoorbeeld MC), hoe mooier de bedrukking wordt. Door de dichte oppervlaktestructuur opgevuld door vulstoffen zakt de inkt minder diep in het papier. Daardoor blijven de kleuren frisser en kan een fijnere rasterlineatuur worden gebruikt.
glans
het percentage licht dat wordt gereflecteerd door het papier van een onder een bepaalde hoek invallende lichtbundel; hoe hoger de reflectie, des te groter de glanswaarde.
gramgewicht
de massa van papier of karton gedeeld door de oppervlakte, aangeduid als g/m2. Deze aanduiding zegt overigens niets over de dikte van het papier (zie ook: opdikking). Het gramgewicht kan worden berekend door het gewicht te delen door de lengte en breedte van het papier, bijv.: 5 gram : 0,297 meter : 0,21 meter = 80 g/m2.
halfmat
gradatie van satineren, gladheid ook wel 'silk' genoemd bij gestreken papier.
kalanderen
veredelingstechniek waarbij het papier of karton tussen een aantal cilinders (walsen) wordt doorgevoerd, met als doel het oppervlak te optimaliseren. In een machinekalander (die zich in het laatste deel van de papiermachine bevindt) krijgt het papier een gelijkmatig oppervlak, overal dezelfde dikte en een bepaalde effenheid en glans. Afhankelijk van het aantal walsen en de druk worden in effenheid oplopende gradaties bereikt, te weten mat, halfmat en machineglad. In een superkalander (die zich buiten de papiermachine bevindt) kan papier aan beide zijden zeer glad en glanzend worden gemaakt. Door geringe snelheidsverschillen tussen de walsen ontstaat een lichte wrijving waardoor het papier de beoogde glans krijgt. Een superkalander wordt ook wel wrijvings- of frictiekalander genoemd.
koetsen
het nat op elkaar brengen van meerdere lagen papier, zonder hechtmiddel, zodat een dikker papier of karton wordt gevormd.
lamineren
vorm van veredeling waarbij papier of karton wordt voorzien van bijvoorbeeld een kunststoffilm of aluminiumfolie. Hiermee wordt een uitstekende bescherming verkregen tegen belastingen.
langlopend
de vezels in het papier liggen (voornamelijk) evenwijdig aan de lange zijde van het vel.
looprichting
de vezeloriŽntatie (de richting waarin de meeste vezels liggen, als gevolg van de hoge snelheid tijdens het productieproces) van een baan papier zoals die op de machine wordt gemaakt. Dat wil zeggen: op de papiermachine liggen de (meeste) vezels altijd in de lengterichting van de papierbaan, in vellen is de vezeloriŽntatie afhankelijk van de wijze waarop ze uit de rol gesneden zijn. De vezels rekken en krimpen onder invloed van de vochtigheidsgraad. Daarom is de looprichting weer van invloed op een sluitende druk en op de afwerking. De looprichting moet bij voorkeur evenwijdig lopen met de vouw(en) in het papier in zijn afgewerkte vorm.
lijming
het aanbrengen van hulpgrondstoffen in de papierstof of op het papieroppervlak, waardoor het papier minder absorberend wordt en beter beschrijf- en bedrukbaar.
machinekalander
zie: kalanderen.
opaciteit
de mate van ondoorschijnendheid van het papier. Hoe hoger de opaciteit, hoe minder doorschijnend het is. Met andere woorden: papier dat veel licht doorlaat is transparant, papier dat weinig licht doorlaat is opaak (heeft een hoge opaciteit). Opaciteit speelt voornamelijk bij lagere gramgewichten. Tekst kan door de andere zijde van het papier gaan doorschijnen. Gesatineerd papier is vaak doorzichtiger dan niet gesatineerd papier van het zelfde gramgewicht.
opdikking
de dikte van papier in relatie tot het gewicht ervan, uitgedrukt in mm per 100 gram; bij eenzelfde gramgewicht kan de ene papiersoort wel twee keer zo dik zijn als een andere soort.
ruwheid
wordt gemeten als afwijking van een ideaal egaal oppervlak. De mate van ruwheid (oneffenheid) is van invloed op het drukproces.
satineren
het doorvoeren van een papierbaan door een satineerkalander met als doel het oppervlak van het papier te effenen en het realiseren van glans (zie ook: kalanderen).
strijklaag
een gepigmenteerde laag (coating), bijvoorbeeld van krijt of chinaclay, die tijdens de productie op het papier of karton wordt aangebracht waardoor een betere drukkwaliteit mogelijk is. Strijklagen zijn mogelijk in verschillende gradaties, van mat tot hoogglanzend (zie ook: coaten).
superkalander
zie: kalanderen.
TCF
(Totally Chlorine Free) pulp die is gebleekt zonder gebruik te maken van chloorgas en/of chloorverbindingen (zie ook: ECF).
viltzijde
bovenkant van de papierbaan.
vulstof
wit mineraal poeder dat tijdens de papierfabricage wordt toegevoegd en waardoor het papier bepaalde eigenschappen krijgt, zoals een bepaalde opaciteit, effenheid, sterkte, stijfheid en dikte.
witheid
de mate waarin een stof wit lijkt, als gevolg van helderheid en lichtreflectie en de afwezigheid van tinten. Witheid wordt uitgedrukt in een percentage van absolute witheid (magnesiumoxide = 100%) en hoe hoger de gemeten waarde des te witter is het papier.
zeefzijde
onderkant van de papierbaan.
zuurstofbleking
bleking met behulp van zuurstof en een basische oplossing, als alternatief voor bleking met behulp van chloor.



Terug naar overige onderwerpen.