aanleg
de inrichting op een drukpers (de vooraanleggen op de cilinder en een verstelbare zijaanleg op het inlegblad), die er voor zorgt dat de te bedrukken vellen bij in- en doorvoer steeds dezelfde positie hebben, zodat ‘sluitend’ kan worden gedrukt.
aflopend drukken
vlakken, foto's of lijnen raken de buitenrand van het drukwerk, deze moeten dan in het beeld worden aangesneden, op het drukvel lopen deze beelden 3 mm van het schoongesneden vel af.
afsnede
het gedeelte van het drukvel dat na het drukken wordt afgesneden.
afwerken
alle handelingen na het drukken van een vel die nog nodig zijn om tot een compleet product te komen.
afwrijfbaarheid
de mate waarin de inkt, na een redelijke droogtijd, van het papier kan worden afgewreven. Naast de test met de duim geeft een slijttoestel een meer betrouwbare indicatie; een tevoren gewogen gedrukt model wordt blootgesteld aan de wrijving van een rubber wieltje. Na een x-aantal omwentelingen wordt opnieuw gewogen en zodoende het verlies aan inkt bepaald.
bandzetter
een genaaid of garenloos gebonden boek met overstekende band. Met rechte of ronde rug. Boekband en boekblok worden los van elkaar vervaardigd en later door middel van schutbladen in elkaar gezet. De rug zit dus niet vast aan het boekblok.
binnenwerk
dat deel wat niet tot het omslag wordt gerekend.
blinddruk
reliëfdruk waarbij het beeld alleen zichtbaar is doordat het omlaag of omhoog gedrukt is in het papier, dus zonder inkt of folie. De druk komt tot stand door middel van een messing blinddrukstempel en een contravorm.
blinddrukstempel
stempel (preeg) meestal van messing om een preeg of blinddruk (reliëfdruk) mee te maken.
boekband
een boekband beschermt het bindwerk en boekblok en bestaat uit twee losse borden van karton en een inlegrug. De drie delen worden door middel van bekledingsmateriaal (linnen, papier of (kunst)leer) met elkaar verbonden.
boekblok
het binnenwerk van een boek, bestaande uit een aantal katerns waar omheen een band of beslag wordt geslagen. Elk katern is op de rug voorzien van een merkteken. Wanneer deze merktekens elkaar ononderbroken en trapsgewijs opvolgen, is het boekblok compleet.
brocheren / binden
het vervaardigen van boeken en tijdschriften door het samenvoegen van meerdere drukvellen door middel van garen of metalen niet, echter zonder band.

- Gehecht/geniet gebrocheerd: in elkaar gestoken vellen voorzien van twee of vier (oog)nietjes. Meestal niet meer dan 60 pagina's in een omslag (afhankelijk van de dikte van het papier), bij meer pagina's gaat de brochure ‘open/bol staan’.

- Garenloos gebrocheerd: vellen/katerns worden vergaard, vervolgens in de rug gefreesd, gelijmd (met hotmelt, dispersielijm of PUR) en met omslag omtrokken. Wanneer PUR wordt gebruikt is deze verbinding ook geschikt voor brochures/boeken die intensief worden gebruikt.

- Garenlas gebrocheerd: katerns worden stuk voor stuk genaaid en daarna in de omslag gelijmd. Dit geeft een sterkere verbinding dan garenloos en is goedkoper dan genaaid.

- Genaaid gebrocheerd: katerns worden met garen aan elkaar genaaid en vormen zo een boekblok, daar omheen wordt een omslag gelijmd met eventueel dubbele ril en zijbelijming.
cacheren
het opplakken van drukwerk op een kartonnen ondergrond, bijvoorbeeld voor displays.
diepdruk
Bij diepdruk is de drukvorm geen plaat, maar een cilinder (van 500 à 1000 kg) die is voorzien van een koperlaag. In de koperlaag worden verdiepte delen geëtst (de drukkende beelddelen). De drukinkt komt in de verdiepte delen en de drukvorm wordt inktvrij gemaakt. Het te bedrukken materiaal wordt vervolgens tegen de drukvorm geperst, zodat het in aanraking komt met de inkt in de verdiepte delen. De inkt wordt opgenomen en meegetrokken, zodat er een afdruk op het te bedrukken materiaal ontstaat. De afdruk komt dus rechtstreeks van de vorm op het papier terecht. Om die reden moet de drukvorm in negatief staan.
dispersielak
vernis op waterbasis die dient voor het veredelen van drukwerk. Omdat gedroogde dispersielak geen geur of smaak achterlaat, is deze zeer geschikt voor verpakking van levensmiddelen.
druklak
lak met dezelfde samenstelling als drukinkt, alleen dan zonder pigmenten. Druklak kan mat of glanzend zijn en heeft het meeste effect op mat gestreken papier. Ongestreken papier heeft een hoog olieabsorptievermogen; daardoor gaat het effect van druklak verloren.
elektronische prepress
op geavanceerde apparatuur wordt tekst en beeld verwerkt tot complete pagina's. Werktekeningen zijn overbodig. Op scherm is meteen in kleur te zien hoe het eruit gaat zien. Veranderingen van kleur, beeld, tekst enz. zijn relatief eenvoudig te maken.
foliedruk
de druk komt tot stand door middel van een magnesium cliché of messing stempel. Het drukproces vindt plaats bij een temperatuur van ongeveer 130 graden Celcius. Onder invloed van warmte laat de folie los van de drager en hecht zich aan het te bedrukken materiaal. Er is een grote variatie aan foliesoorten beschikbaar, zoals gekleurde metallic folie, matte folie, holografische folie enz. Vele standaard holografische patronen zijn uit voorraad leverbaar en dus goed betaalbaar;
grijperwit
de extra ruimte van een drukvel waaraan de grijper van de pers het papier kan vastpakken.
inschiet
de hoeveelheid papier of karton die nodig is voor het instellen van een drukpers en de afwerking.
inslagschema
(impositie) geeft aan hoe de pagina's op het drukvel moeten worden gedrukt, zodat ze na te zijn gevouwen en gebrocheerd in de juiste volgorde staan. Factoren die hierop van invloed zijn, zijn het aantal pagina’s, het drukformaat, het formaat van het vel en het binden.
integraalband
een papieren of linnen (meestal flexibele) band, waarbij de borden en de rug één geheel vormen en later door middel van schutbladen in elkaar gezet. De rug zit niet vast aan het boekblok.
katern
gevouwen drukvel bestaande uit een veelvoud van 4 pagina’s ( 4, 8, 12, 16 etc). Meerdere katerns achter elkaar vormen het boekblok of binnenwerk van een boek of brochure.
kruisslag vouwen
de tweede vouw gaat dwars op de eerste vouw.
laminaat
dunne transparante kunststoffolie die op het papier wordt gelijmd, zeer hoge glans, duurzame bescherming tegen vuil, stof of krassen. Verkrijgbaar in glans, mat, silk, linnen, leer, goud en zilver. Lamineren is de veredelingsvorm die de beste bescherming biedt tegen mechanische belasting.
lithografie
het van werktekeningen en foto's schone films (litho's) maken.
looprichting
de vezeloriëntatie (de richting waarin de meeste vezels liggen, als gevolg van de hoge snelheid tijdens het productieproces) van een baan papier zoals die op de machine wordt gemaakt. De vezels rekken en krimpen onder invloed van de vochtigheidsgraad. Daarom is de looprichting weer van invloed op een sluitende druk en op de afwerking. De looprichting moet bij voorkeur evenwijdig lopen met de vouw(en) in het papier in zijn afgewerkte vorm.
moiré
zichtbare (ongewenste) patronen in rasters als gevolg van een verkeerde rasterstand of een onnauwkeurig register. Dit verschijnsel kan worden voorkomen door het gebruik van FM-raster.
oblong
liggend formaat, dat wil zeggen: de rug van de brochure is korter dan de zijden.
offset
een vlakdrukprocédé dat werkt volgens het principe dat water (onbedrukte deel) en inkt (bedrukte deel) elkaar afstoten en waarbij het beeld vanaf een rubberdoek op het te bedrukken materiaal wordt gedrukt.
offsetrotatie
het papier wordt vanaf de rol in offsettechniek bedrukt (ook wel rollenoffset genoemd).
persvernis
oxidatief drogende offsetvernis, laagglanzend.
PMS
Pantone Matching System, een universeel kleurensysteem voor drukinkten dat in de grafische branche wordt gebruikt. Tegenhanger is bijvoorbeeld RAL, een kleurensysteem dat in de Verf- en bouwbranche wordt gebruikt.
prägen (pregen)
reliëfdruktechniek waarbij het beeld door middel van een stempel en een contrastempel verdiept of verhoogd in het papier wordt gedrukt. Zie ook blinddruk.
prepress
al het voorbereidende werk, van zetten tot films maken, dat voorafgaat aan het feitelijke drukken.
puntverbreding
ook wel puntgroei genoemd; het effect dat optreedt bij sterk zuigend papier, zoals krantenpapier en offset. Bij het drukken van gerasterde foto's en illustraties op papier met een min of meer open structuur, ontstaat in de midden- en diepe tonen verbreding van de rasterpunt door de wegslag van inkt in het papier. Hierdoor wordt het toonverloop in foto's ongunstig beïnvloed (50% raster wordt bijvoorbeeld 65%). Diepe tonen krijgen een vlekkerig beeld, ze verliezen scherpte en detail. Om dit te vermijden moet de lithograaf de puntgroei compenseren door de rastercurves te verleggen en verlagen.
raster
de punten of lijnen waarvan gebruik wordt gemaakt om kleuren over te brengen op een blanco ondergrond.
rasterlineatuur
de fijnheid van een raster wordt vermeldt in lijnen per cm (l/cm), lijnen per inch of dots per inch (dpi). Afhankelijk van de druktechniek en het te bedrukken oppervlak. In offset gebruikt men meestal raster 60 l/cm. Voor iedere papiersoort bestaat een optimale lineatuur, voor krantenpapier is dat 30 l/cm, voor offsetpapier 54 l/cm en voor MC papier 60 l/cm.
rillen
een lijnvormige kneuzing in papier of karton aanbrengen, zodat het daarlangs makkelijk en recht kan worden gevouwen zonder dat er beschadigingen ontstaan in het oppervlak.
rotatiedruk
procédé waarbij cilinder tegen cilinder wordt gedrukt. Bij de eerste drukpersen werd tussen twee vlakke vormen gedrukt. Bij een volgende stap in de ontwikkeling werd een van die platen vervangen door een cilinder (waardoor hogere snelheden konden worden bereikt) en bij verdere ontwikkeling werd ook de tweede plaat vervangen door een cilinder.
schoon- en weerdruk
tijdens de doorvoer van het papier door de pers worden beide zijden van het vel in een of meer kleuren bedrukt. De eerste zijde die wordt bedrukt (het vel is dan nog blanco) is de schoondruk en van de weerdruk is sprake als de tweede zijde van het vel wordt bedrukt. Wanneer de weerdruk iets te traag droogt, kan het zogeheten spookeffect optreden. De schoondruk is dan in spiegelbeeld zichtbaar in de weerdruk.
schutblad
vormt de overgang tussen binnenwerk en band van een boek. De ene helft van het in tweeën gevouwen vel wordt tegen de binnenzijde van de band geplakt en zo wordt door middel van de schutbladen voor en achter het binnenwerk (het boekblok) door de binder aan het boek verbonden.
spanjool
een cirkelvormige afdruk op het papier, dat wil zeggen een donkere vlek omgeven door een niet drukkende ring, vaak als gevolg van een stofje op de drukplaat of rubberdoek (Hist. Spanjaard, ongewenst persoon).
stofomslag
een extra omslag (los) om de boekband, ter bescherming van deze band.
uitslaander
een pagina die buiten het boekformaat open gevouwen wordt.
UV-vernis/lak
ultraviolet drogende vernis/lak, hoogglanzend of mat (kan breken). UV-lak wordt opgebracht door een lak-unit die is gekoppeld achter een (offset)pers. UV-lak is zeer duurzaam en goed bestand tegen krassen en schuren.
vellenpers
een drukpers waarop afzonderlijke (op formaat gesneden) vellen worden bedrukt. Dit in tegenstelling tot rotatiedrukpersen, waarop het papier vanaf rollen wordt bedrukt.
veredelen
het aanbrengen van een beschermingslaag op drukwerk zoals lamineren (cacheren), plastificeren, UV-lakken, dispersielakken, vernissen.

Terug naar overige onderwerpen.